Één bron van dierenliefde

Dit blog beschrijft een aantal overpeinzingen van het begrip ‘dierenliefde’. De één heeft er meer van dan de ander, en niet iedereen lijkt er hetzelfde onder te verstaan. Dat leidt tot misverstanden en botsingen. Misschien is het daarom goed een poging te wagen het begrip ‘dierenliefde’ eens wat nader onder de loep te nemen. Ik vermoed zelfs dat de tegenpolen in het dierenwelzijnsdebat, boeren en burgers, uit dezelfde bron van dierenliefde putten.

Wat is dierenliefde?

Ik ben geneigd dierenliefde te omschrijven als een gevoel van affiniteit voor één of meer dieren om (de belangen van) die dieren zelf. Maar het is geen eenduidig begrip. Je kunt onder dierenliefde ook veel ruimer elke vorm van waardering voor een dier verstaan. Of juist veel smaller, bijv. enkel een (overdreven sterke) neiging om op te komen voor de (vermeende) belangen van dieren. In het laatste geval moet je bijna een dieractivist zijn om van dieren te kunnen houden. In de ruime definitie ben je al een dierenvriend als je vlees lekker vindt, of als je ze goed verzorgd omdat je er je boterham mee verdient. Volgens mijn definitie echter niet.

Gevoel

Op de allereerste plaats is dierenliefde een gevoel. Dat is iets anders dan een uiting van dat gevoel. Dierenbeschermers kunnen uit (veronderstelde) dierenliefde opkomen voor dieren, maar dat hoeft niet. Je kunt ook dieren beschermen omdat je van mensen houdt, of van zoiets abstracts als ‘rechtvaardigheid’. Ook als je heel veel van boeren houdt, zou je je als dieractivist kunnen gedragen, zonder zelf veel van dieren te houden. Vooral als je van boeren houdt die authentiek zijn, en die graag voor hun dieren zorgen zoals zij denken dat goed is.

Affiniteit

Dierenliefde is niet zomaar een gevoel. Het is een positief gevoel. Een gevoel waar je gelukkig van kunt worden. Het is een gevoel dat aantrekkingskracht heeft: Dierenliefde impliceert een gevoel van affiniteit. Wie van dieren houdt, voelt zich tot hen aangetrokken. Het is dus iets subjectiefs. Zoiets als wanneer je iets lekker vindt. Je ervaart het, zoals je het ervaart. Het is een persoonlijke gewaarwording. Je hebt het, of je hebt het niet.

Ook objectief

Uit het feit dat dierenliefde subjectief is, volgt echter niet dat het niet ook objectief is. Ik zei al ‘Je hebt het, of je hebt het niet’, maar als je het hebt, is het niet iets dat je zomaar ook kunt negeren. Je kunt ook niet zomaar iets vies vinden wat je lekker vindt, of omgekeerd. Als je van dieren houdt, kun je ook niet zomaar je ogen sluiten voor dierenleed. Je moet dan medelijden hebben, als je ermee geconfronteerd wordt, of je nou wil, of niet.

Kwantitatief

Een andere belangrijke nuancering is dat dierenliefde geen kwestie is van wel of niet, maar van meer of minder. Je kunt meer of minder affiniteit voelen voor dieren. Sommigen voelen heel veel medelijden met dieren, anderen een stuk minder. En er zijn ook mensen die zich werkelijk totaal niet bekommeren om dieren, zelfs niet wanneer ze erg lijden.

Aangeboren en aangeleerd

Uit de subjectieve ervaring volgt ook niet dat dierenliefde een vaststaand gegeven is, dat als een aangeboren eigenschap is vastgelegd in je DNA. Dierenliefde heeft ongetwijfeld een aangeboren component (zie onder), maar de dierenliefde die je ervaart is hoogstwaarschijnlijk mede het gevolg van leerprocessen. Het lijkt erop alsof positief contact met dieren in de jeugd het vermogen vergroot om van dieren te houden. En vermoedelijk kan blootstelling aan dierenleed later werken als een soort katalysator voor het aanwakkeren van latente gevoelens van dierenliefde.

Nooit goed

Dat zou betekenen dat je het als veehouder eigenlijk altijd verkeerd doet: Als je je dieren goed behandelt en je stallen openstelt voor het publiek, wakker je vermoedelijk dierenliefde aan, en als je ze slecht behandelt ook.

Welzijnsdiscussies

Discussies over dierenwelzijn gaan vaak over de vraag of veehouders nog wel echt van hun dieren houden. Ze doen namelijk vaak dingen met hun dieren die dierenbeschermers verafschuwen. Het opsluiten van veel te veel dieren in een veel te kleine, donkere ruimte, bijvoorbeeld. Of het amputeren van lichaamsdelen zonder verdoving. Anderzijds moet een veehouder voor een appel en een ei dag en nacht klaarstaan om zijn dieren te verzorgen. Ze moeten immers gezond blijven om veel te kunnen produceren. Om dat vol te houden heb je als veehouder meestal ook een heleboel affiniteit voor dieren nodig. Het ligt zelfs voor de hand te veronderstellen dat het evolutionair voordeel had: Wie meer van z’n dieren hield, zorgde er beter voor, en had dus betere overlevingskansen.

Dezelfde bron

In dat geval zou de dierenliefde van de burger-consument heel goed een soort rudiment kunnen zijn, een overblijfsel van een evolutionaire voorbestemming om als boer voor het vee te zorgen. Vermoedelijk weten de onze genen namelijk nog niet dat de moderne tijd is aangebroken. Vanuit die optiek is het bijzonder opmerkelijk dat dierenbeschermers en veehouders vaak zoveel moeite hebben om elkaars affiniteit voor dieren te waarderen. Ze putten hun liefde voor dieren immers uit dezelfde bron.

Koe traan - bron van dierenliefde

Dit bericht is geplaatst in Dierenwelzijn, Perceptie, Waarden met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

NB: Save msg in mail before submitting (to m.b.m.bracke @ gmail . com) * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.